3D Factory deel 27 """""""""""""""""" SOLID MODELING CONTROL SCHERM """"""""""""""""""""""""""""" We kunnen het SOLID MODELING SCHERM vanuit de EDITOR benaderen, door de menu-selectie: MODES -> SOLID, of door op de letter 'q' te drukken. Vanuit het WIREFRAME CONTROL SCHERM kunnen we het benaderen door op SOLID te klikken. Het is niet verplicht om altijd eerst via het WIREFRAME CONTROL SCHERM te gaan. Het SOLID MODELING CONTROL SCHERM biedt ons een aantal keuzemogelijkheden. Deze kunnen we instellen door het betreffende vakje aan te klikken. Het vakje wordt dan donkerblauw van kleur, ten teken dat het geactiveerd is. Behalve de vakjes zijn er ook een aantal schuifregelaars op het scherm aanwezig. Deze werken op de wel bekende manier. Op het SOLID MODELING CONTROL SCHERM komen we de volgende funkties tegen: MODE """" Links boven staat de kreet: 'RENDERING CONTROL', met daaronder 5 gadgets (vakjes). Ieder gadget omschrijft een bepaalde methode (MODE) van renderen. Het zijn: FAST """" Dit is de standaard instelling (default). Dit is de snelste manier van renderen binnen REAL3D. Het heeft als grote voordeel dat de de tekening alvast in grote lijnen bekeken kan worden, zonder dat op de details gelet wordt. Details als textures, schaduw, reflecties en dergelijke worden NIET zichtbaar als in de FAST mode gerenderd wordt. Alle objecten in de tekening zijn automatisch van het default materiaal gemaakt. Dit kan ook niet worden veranderd. De computer zorgt er tevens voor dat er een lichtbron is. De lichtbron bevindt zich bij deze rendermethode op dezelfde positie als de waarnemer. NORMAL """""" Het tegenovergestelde van de FAST mode is de NORMAL mode. Nu wordt alles wat we hebben vastgelegd ook gerenderd. Alle textures, lampen, schaduwen, speciale materialen enz. worden zichtbaar. Dit is de 'langzaamste' manier van renderen en tevens de meest complete manier. Indien er geen lampen in de tekening zijn aangebracht zal de computer dat melden. Renderen van een dergelijke tekening in de NORMAL-mode is zinloos. SHADOWLESS """""""""" Renderen in de shadowless mode (shadowless = 'zonder schaduw') geeft als resultaat een tekening waarbij de schaduw-effecten die onstaan door gebruik van (1 of meerdere) lichtbronnen niet worden berekend. Dit heeft als belangrijke voordeel dat het sneller is dan de NORMAL MODE. Voor de rest worden alle materialen, textures enz. gewoon getoond. LAMPLESS """""""" In de LAMPLESS mode (LAMPLESS = 'zonder lampen') worden tekeningen nog iets sneller gerenderd dan in de SHADOWLESS MODE. De computer zorgt voor 1 lichtbron. Schaduw-effecten worden niet getoond; alle textures, spiegelingen en dergelijke worden wel getoond. OUTLINE """"""" De OUTLINE MODE (outline = contouren) laat een tekening zien die lijkt op het draadmodel; alleen de buitenste lijnen, de randjes van de objecten worden getoond. De tekening wordt slechts in twee kleuren gerenderd en dat gaat redelijk snel. Schaduwen en dergelijke spelen hierbij geen rol. OPTIONS """"""" Behalve 5 methoden van renderen, kunnen we op dit scherm ook nog uit een 10-tal OPTIONS (opties) kiezen die het renderen beinvloeden. We kunnen meerdere opties tegelijk activeren als we dat willen. De volgende opties zijn aanwezig: SINGLE """""" Dit vakje heeft een funktie bij het renderen van animaties. De default instelling is dat dit vakje geactiveerd is. Als het geactiveerd is betekent dat dat er maar 1 frame gerenderd wordt. Als u dit vakje niet activeert en u laat een animatie renderen, dan worden alle frames gerenderd, vanaf het huidige frame. Welk nummer het huidige frame heeft kunt u boven in het scherm zien. Rechts naast het woordje FRAME staan 2 gadgets en daarnaast staat het framenummer dat gerenderd gaat worden. Dat is dus het huidige framenummer. Als een volledige animatie gerenderd wordt, worden alle plaatjes automatisch naar de (hard) disk weggeschreven en van een volgnummer voorzien (= ge-indexeerd). INTERLACE """"""""" Als dit vakje is geactiveerd, worden de plaatjes in de INTERLACE-mode gerenderd, wat inhoudt dat het aantal horizontale beeldlijnen wordt verdubbeld. Zie ook de waarde van het vakje HEIGHT, dat verandert als het INTERLACE-gadget wordt geactiveerd. GREYSCALE """"""""" In plaats van kleurenplaatjes, kunnen we ook plaatjes laten renderen in grijstinten (GREY = grijs). Dit heeft ook tot gevolg dat de scherm- resolutie verhoogd wordt van 320 beeldpunten tot 640 beeldpunten per horizontale beeldlijn (zie ook de waarde achter het vakje WIDTH dat van waarde verandert als we de GREYSCALE-optie activeren). Deze optie werkt niet als u voor de OUTLINE render-methode heeft gekozen. SAVEMEM """"""" Het kan gebeuren dat we de computer een render-opdracht geven waar hij langere tijd voor nodig heeft. Misschien wilt u, terwijl de computer de tekening rendert, ook nog iets anders doen. Dat kan. Normaal gesproken gebruikt REAL3D zoveel mogelijk RAM om zodoende sneller te kunnen werken. Als u echter de SAVEMEM-optie gebruikt, laat REAL3D minstens 100 kB CHIPMEM vrij. Het is niet echt veel, maar misschien genoeg om bijvoorbeeld met een eenvoudige tekstverwerker even een briefje te maken. Het gebruik van de SAVEMEM-optie vertraagt het renderen wel een beetje. IFF-24 """""" Met deze optie kiezen we voor het IFF ILBM formaat voor de tekening. Het levert 24-bits resultaten. Bij 24-bits tekeningen gebruikt de computer 8 bits voor de Rood-waarde, 8 bits voor de Groen-waarde en 8 bits voor de Blauw-waarde; hierdoor ontstaat een kleurenpalet van ruim 16,7 miljoen kleurtinten.