JOBlF:Н 'ÝStory II, tweede deel. door: E v/d Oosterkamp. lengte: Weetikveel. Vorige maand verhaalde ik van Eric, die op een rommelmarkt een schilderij kocht. Door dit schilderij komt hij in de vreemde wereld "Halva" terecht. In deze wereld ontmoet hij een man, Prenc, die zijn trouwe dienaar blijkt te zijn. Prenc heeft het prachtige ros Sir Jefferson bij hem, het paard dat voortaan van Eric zal zijn. Prenc voert Eric naar de safrane vrouwe. Hier ontmoet Eric het behaarde katwezen Marter, een man van eer. De safrene vrouwe voor Eric in raadselen over een profetie. Een ding wordt duidelijk, Eric heeft een derde naam nodig. Deze derde naam moet de aard van Eric's persoonlijkheid verwoorden. Nadat de naam bekend is zal Eric door koning Rouland tot ridder worden geslagen. Onderweg wordt het gezelschap aangevallen door ondergeschikten van "de onnoembare", de duistere heerser van de naburige landen en de voerder van het embleem met de gebroken vleugels. Eric, Marter en Prenc overleven het gevecht, iets dat van de onnoembare's agressieve handlangers niet kan worden gezegd. En nu: Verder met deel twee: 4 Later op de dag kwam het gezelschap aan bij een verlaten hut. De hut bleek te zijn voorzien van verse proviand en schone overnachtings plaatsen voor ruiter en rijdier. Eric sprak Prenc erover aan. "Deze plaatsen worden voor reizigers als ons door de omwonenden onderhouden. Dit vanwege de profetie die overal wordt nageleefd." Later lagen Prenc en Marter te slapen. Eric kon de slaap niet vatten. Hij was niet moe, in tegendeel, en hij lag niet rustig. Eric liep na een tijdje de hut uit en zag dat het lang zo donker nog niet was. Het was niet licht maar veel lichter dan schemering. Hij bleef voor de ingang staan en keek over de glooing naar de bomen aan de rand van het bos dat daar begon. Tussen de bomen stond een roerloze gestalte. Eric werd nieuwsgierig en liep rustig naar de rand van het bos naar de gestalte. Op een afstand van tien meter kwam de gestalte langzaam op hem af. Eric kon niets meer dan gloeiende rode ogen zien. "Gegroet, aangekondigde. Wij hebben op u gewacht." De stem leek diep uit de aarde te komen. Eric boog en stond nu op een meter afstand van de gestalte en voelde een tinteling langs zijn ruggegraat. Plotseling kon hij zich niet meer verroeren. Achter hem kwamen er nog een drietal gestalten tevoorschijn. Zijn polsen werden op zijn rug gebonden en hij werd meegenomen. Prenc en Marter werden wakker en ontdekten vrijwel gelijktijdig dat Eric verdwenen was. Aan de rand van het bos werden algauw de sporen gevonden die de gestalten hadden achtergelaten. "Hij is door aasmannen ontvoerd. Blijkbaar werken die tegenwoordig ook al voor de onnoembare." Prenc keek Marter geschrokken aan "Als Eric nu is ontvoert kan hij nooit optijd 8܌ zijn naam vinden. De onnoembare kan hem nu met gemak breken." Het katwezen was niet onder de indruk "Hij komt uit een andere beschaving met andere normen en waarden. Waarschijnlijk kent hij het geheim van de derde naam niet eens." Prenc knikte nadenkend "Laten we naar de safrane vrouwe gaan. Sporen van aasmannen zijn toch niet te volgen." "Voor mensen misschien, maar voor mij is het geen probleem. Ga jij naar de vrouwe, dan volg ik de sporen." Eric werd als een zak aardappels over de rug van een van de gestalten gedragen. Er werden geen woorden meer gewisselt en Eric wilde wel eens weten waar de reis naartoe ging. Onderweg gaf hij zich geestelijk een paar schoppen. Als de eerste de beste minkukkel was hij in zo'n ouwe rotval gesukkelt. Na wat leek wel uren, liepen ze een grot in en begonnen ze af te dalen in moeder aarde. In de grot was goed te zien, blijkbaar gaf de grot zelf licht af door een of ander mos. Een of ander stinkend schepsel versperde de weg, en wisselde wat geluiden met een van de aasmannen. Eric werd overgeladen op het schepsel. De reis vervolgde. "Mooi werk Eric. Eerst was de reis alleen ongemakkelijk, maar nu heb je een stinkend vervoermiddel. Je gaat erop vooruit." Na wat weer een paar uur leek werd Eric neergekwakt in een afsluitbare grot. Deze grot werd blijkbaar als een soort cel gebruikt. Hij voelde dat bijna zijn gehele lichaam beurs was. Een voordeel was dat hij zich weer kon bewegen. Door tegen de muur te schuren kreeg hij zijn handen los. Zijn voeten bevreidde hij met zijn handen en hij stond op om zijn cel te bekijken. 8܌ Hij wilde net de deur bekijken toen hij aan de andere kant een hoop gerammel gewaar werd. De deur werd opengesmeten en een tiental met fakkels bewapende reptielachtige wezens stonden voor hem. De wezens deden hem denken aan de romeinen zoals bij Asterix. Alleen ze waren niet om te lachen. Een met een hogere rang stapte de cel in. Hij had zwarte pluimen op zijn kuras en droeg het embleem met de gebroken vleugels. Hij werd meegewenkt en midden in de groep werd hij meegevoerd. Op de reis door de grotten zag hij verder geen andere wezens. Deze waren blijkbaar gevlucht want het blikgerammel dat de reptielen prodceerden moest over kilometers te horen zijn. Ze naderden een grote deur. Deze deur gaf toegang tot een grote hal. In deze hal stond een grote troon. Op deze troon zat een wezen dat Eric met afschuw vervulde. Het hield het midden tussen een dinosaurus en een kip met vier poten en twee handvormige tentakels. Deze twee tentakels zaten geen minuut stil en het wezen leek zo uit lochness te zijn ontsnapt. Eric werd voor het creatuur geleidt. Het wezen keek hem aan en begon ineens hard te lachen. Heel de aarde leek op zijn grondvesten te schudden. "Is deze kruimel mijn ondergang?" Het lachen begon opnieuw. Toen het lachen bleek te zijn bedaard sprak het wezen met een harde zware onmenselijke stem "Heb je nog een laatste vraag, mislukking?" Eric heeft er altijd een hekel aan gehad om te worden uitgelachen en werd daar altijd onredelijk kwaad over. Alleen daarom viel hij niet van angst op de grond maar durfde hij nog net wat te vragen in plaats van zijn broek te vullen. "Wie bent u? waar ben ik?" 8܌ "Mijn onderdanen noenem mij hun heer. Mijn vijanden noemen mij de onnoembare, je zult vast wel van mijn heldendaden gehoort hebben. In de oude taal heet ik lord Dark." De onnoembare draaide zijn kop naar de centurion (om maar bij de vergelijking met de romeinen te blijven). "geef dit kreatuur de enige oplossing voor zijn lijden, zijn mens zijn." Het woord "mens" druipte van de minachting. "Geef hem een langzame, pijnlijke dood opdat hij voor eens en voor altijd spijt van zijn geboorte zal hebben." Als reaktie bonkte de centurion op de grond en draaide zich om. Eric werd weer ingesloten door de reptielen en ze liepen de zaal uit. Deze maal volgden ze een andere weg dan die ze gekomen waren. Ze bleven op hetzelfde nivo en kwamen bij een grote poort. Deze poort bleek de uitgang naar buiten te zijn. Eric werd buiten op een kar geladen en de reis begon. Vanuit de kar kon Eric in zich opnemen waar hij vandaan kwam. De poort bleek in een groot fort te zitten. Dit fort stond midden in een woestijn. Langzaam bolderde de kar van de voorplaats af en Eric zag het fort steeds kleiner worden totdat het fort door zandduinen aan het oog werd onttrokken. De kar rommelde door het rulle zand terwijl Eric zich afvroeg hoe die kar ooit op dit zand kon rijden zonder enig spoor na te laten of weg te zakken. De omgeving werd steeds vaker met bomen getooit en de kar reed een bos in. Op een open plaats werd Eric hardhandig afgeladen. Zonder plichtplegingen werden zijn armen boven zijn hoofd aan een soort dubbele galg gebonden. Een touw rond zijn benen weerhield hem van het inklimmen van de galg. De aasmannen achter hem grinnekten en Eric kreeg een kriebelend voorgevoel. Omdat hij met zijn buik tegen de paal aanstond en de aasmannen achter hem kon hij ze niet zien. 8܌ Wat de oorsprong van het gegrinnik was wist hij zodra de zweep hem zijn rug open sloeg. Na een vijftal slagen verloor Eric het bewustzijn, waardoor de aasmannen hem met een aantal krachtige slagen trachten bij te brengen, maar lieten hem toen maar hangen en vertrokken terug naar hun onnoembare meester. Eric kwam bij in een rood land van pijn en verbittering. Zijn polsen waren kapot gewschuurd door het hangen in zijn boeien en zijn rug was voor zijn gevoel een open wond. Langzaam vertrok de rode waas, maar de kwelling werd geen minuut verlicht. Langzaam werd Eric zichzelf bewust. Ironisch bedacht hij dat hij misschien wel had kunnen ontsnappen als hij niet zo geinteresseerd in de kar was geweest. Er klopte trouwens niet veel van de hele zaak. Volgends die stomme profetie moest hij waarschijnlijk die lord Dark vernietigen. Nu had die Dark hem vernietigt. (Eric begon zich op te winden, zoals altijd als er iets niet klopte) Hij had nog nieteens zijn derde naam gevonden, nou hij wist hem wel. Badmuts zou een goede keus zijn na zoveel stommiteiten. Wat is eigenlijk de nut van een profetie als je zelf moet zorgen dat hij uitkomt? (Eric moest inwendig lachen om deze travestie) Eric probeerde de boeien van zijn voeten door te schuren, maar de bijtende wonden op zijn rug hinderden hem te veel. Hij wilde weten hoe laat het was en ontdekte dat zelfs zijn horloge was verdwenen. Okay, hij was er niet aan gehecht, en hij was niet veel waard, maar die schoften hadden er vanaf te blijven. Een van die woede aanvallen die hij al vanaf zijn kindertijd had diende zig aan en Eric wist dat er geen houden aan was en hoopte instinctief dat hij zichzelf niet alteveel zou beschadigen. 8܌ Met gevloek en getier en veel vertoon trok en bungelde hij aan zijn boeien. Hij trok zichzelf omhoog en schreeuwde dat het een aard had. Aan het eind van het liedje scheurde hij zijn rechter arm los doordat hij op de touwen had gekauwd. Eens had hij zijn deken kapot gekauwd, tot ontsteltenis van zijn moeder. Nu viel hij neer terwijl hij nog met een arm omhoog hing. Ook dit leverde genoeg ergernis op voor een volgende woede aanval. Toen hij uitgeput neerviel was hij geheel los. Toen hij weer bijkwam dacht hij dat het inmiddels aan het schemeren was, maar uiteindelijk bleek de zon op te komen en was er ondertussen een dag voorbij gegaan. Hij strompelde weg van zijn paal. Marter volgde de sporen tot aan de grot en wist daardoor waarheen de aasmannen en hun last waren vertrokken. Omdat hij de executie methoden van de onnoembare kende liet Marter de safrane vrouwe weten dat hij naar het bos op de vlakte zou vertrekken. Enkele dagen later kwam hij aan aan de rand van het bos. Hij wist dat de onnoembare personen onder de grond kon verplaatsen met een snelheid die erboven niet haalbaar was. Daardoor wist Marter dat hij te laat was. Hij doorzocht het bos en zag verschillende palen met hun hangende last. Er was geen enkele levende bij. Enkelen waren in verregaande staat van ontbinding, van somiggen restten zelfs alleen nog hun beenderen. Uiteraard waren er ook de nodige lege palen die stonden te wachten op hun volgende last. Hoe Marter ook zocht, hij vond Eric nergens, zowel dood als levend. Volgende maand: Waarom vond Marter Eric niet, en hoe neemt Eric wraak?