JOBlF:Н '#ÝStory II door: E v/d Oosterkamp (CCCP). lengte: Daar kom je nog wel achter... Inleiding ========= In JSW vijf stond een SFverhaal van mijn hand. Aangezien ik het erg leuk vond om te schrijven, ben ik weer in mijn toetsenbord gedoken en weer gezondigd aan het schrijven der verhalen. Ditmaal is het een fantasy verhaal met een plot dat vooral door Stephen Donaldson's "Kronieken van Covenant" en "Mordants nood" bekend is geraakt, en draait rond een persoon uit onze wereld/tijd die terecht komt in een soort van sprookjes wereld. Ik heb geprobeerd dit plot zo origineel mogelijk te benaderen zonder scene's te kopieren van Donaldson, of andere schrijvers in dit genre. By the way: Het is inmiddels een vervolg verhaal geworden. Veel leesplezier toegewenst! De Auteur. 6 '#ÝProLoog. Eric had het schilderij vanochtend op een rommelmarkt gekocht. Hij had de pest aan rommelmarkten, maar was er verzeild geraakt voordat hij er erg in had. De kortste weg naar huis was erover, dus dan maar over de rommelmarkt naar huis. Tussen de grote bende ongelofelijke rotzooi stond het schilderij. Hij herinnerde zich dat zijn vader vroeger ook zo'n tafereel aan de wand had, en een tientje was een koopje. Thuis bekeek hij zijn aanwinst nog eens. Het was een vredig en melancholiek tafereel van een kleine burcht in het bos. Op de voorgrond liep een beekje en de burcht stond er troosteloos vervallen bij. Aangezien de tand des tijds van de lijst iets fraais had gemaakt besliste Eric dat er in ieder geval een fatsoenlijke lijst omheen moest. Voorzichtig verwijderde hij de lijst van het schilderij en ontdekte achterop het schilderij een spreuk. 'Hij die dit kunstwerk heeft aangerand, 'steke het gelieve in brand, 'daar het onheil dat nu is aangericht 'zal vechten in zijn aangezicht 'De enige wijze dit te vermijden, 'is het vernietigen tot het einde der tijden. Eric voelde een tinteling langs zijn ruggemerg naar zijn benen gaan. Welke idioot heeft dat stomme rijmpje op dat kromme doek gekrast? Eric liet zich niet intimideren en voorzag het doek van een nieuwe lijst. 8܌ Het doek had hij boven de kamerdeur gehangen. Het leek alsof het er al jaren hing en paste nu mooi bij de rest van het interieur. Eric at wat en vertrok toen naar zijn stamkroeg om met zijn makkers te gaan stappen. Hij had de meesten al een tijd niet meer gezien en het werd daarom een druk en luidruchtig avondje. Het was al zondagochtend over vieren toen hij zijn voordeur opendeed. Hij slingerde wat, maar was niet helemaal dronken. Hij hing zijn jas aan de kapstok en ging eerst naar de WC om zijn blaas te legen. Hij klom de trap op, sloeg het tandenpoetsen maar over en dook zijn bed in. Rond een uur of elf werd hij wakker. Een kudde mijnwerkers was bezig zijn schedel te splijten en hij stond op om een paracetamol te gaan halen. Aangezien de paracetamol in de medicijnkast op waren liep hij de trap af om te kijken of er beneden in de kast nog lagen. Hij vloekte toen hij de modderpoten op de grond zag, die hij daar afgelopen nacht in het tapijt had gelopen en hij opende de kamerdeur. Omdat hij onder zijn pantoffels geknars hoorde keek hij naar beneden. Het schilderij had vannacht de lagere regionen opgezocht en lag op de grond. Hij stond er met zijn twee botte poten bovenop. Alles begon te draaien en Eric verloor duizelig zijn evenwicht en viel op de grond. Onderweg van staan naar grond verloor hij het bewustzijn. , '!ÝHoofdstuk 1. Eric kwam bij door het fluiten van vogels. Zijn kop bonkte nog van de kater en hij stond op om in de kast naar paracetamol te zoeken. Hij steunde tegen een boom en werd daardoor zijn omgeving gewaar. Hij stond in een bos naast een klaterend beekje en tegenover een verlaten burcht. Het was het tafereel van het schilderij. Eric ging met zijn rug tegen de boom zitten met zijn handen tegen het hoofd om de mijnwerkertjes tot rust te manen. Al zittende viel hij weer in slaap. Een paar uur later werd hij weer wakker. Hij had trek en de hoofdpijn was al aardig afgezakt. En hij zat nog steeds in dat verdomde bos. En potverdorie nog wel in zijn ondergoed, als hij dit toch droomde, kon hij dat dan niet met fatsoenlijke kleren aan? Hij stapte met zijn blote voeten op een kiezel. De pijn maakte dat hij wegsprong en zich realiseerde dat de droom wel erg realistisch overkwam. Het gevoel van trek bleef, dus liep hij naar de burcht toe. Op een tafel in de burcht lagen wat kleren en hij trok ze aan. Ze zaten gegoten, wat de kwaliteit van de droom vergrote. Hij was nu gekleed in een wijde broek met bijpassend soort van sweater. De cape had hij in de tas gestoken. In de plek die hij voor de keuken hield vond hij wat (vers?) fruit. Dit tastte de realiteit van de droom aan, aangezien de burcht verlaten was. Na een ruim ontbijt met appels, peren en exotische vruchten keek hij rond in de burcht. Het was eigenlijk geen burcht maar meer een klein jachtslot, of een zomerverblijf van een rijk man. Alle vertrekken waren gestoffeerd, gemeubileerd en zo te ruiken ook van tijd tot tijd geventileerd. Alles was zo realistisch dat dit nooit een droom kon zijn. Toch was het te absurd om waar te zijn. 8܌ Buiten weerklonk het gehinnik van een paard en Eric rende zo gauw hij kon naar een raam. Een gezadeld paard stond daar naast de stal en Eric liep naar de hal in de hoop iemand tegen te komen. Aan de haldeur klonken voetstappen en toen het gebons van de klopper. Terwijl de echo's uitstierven overdacht Eric wat hij het beste kon doen. De bezoeker klopte nog eens en riep: "Mijn heer, ik ben het, Prenc, uw dienaar." Eric werd nu erg nieuwsgierig en liep op de deur af. Hij opende de deur en op de drempel stond een man hem aan te kijken. Eric moest glimlachen omdat hij dacht aan de kinderpostzegel actie en keek toen de man weer aan. Deze beantwoorde Eric's glimlach en boog diep terwijl hij sprak. "Wees welkom op Halva, vreemdeling. Ik ben gestuurd om u te gaan halen en u voor te bereiden op uw zware taak. Mijn naam is Prenc, met uw welnemen." "Gestuurd? voor mij? ach man je bazelt. En denk maar niet dat ik zwaar werk doe in mijn eigen dromen." De man knikte wijs naar Eric. "Al het zware werk wordt licht als dromen, wanneer de onuitroeibare is gekomen." Eric dacht dat hij met een geschifte had te doen en liep weer naar binnen. Achter hem klonk het sloffen van Prenc die in zijn eigen liep te brabbelen, terwijl Eric besloot het spelletje mee te spelen. "Vertel me wat er van mij wordt verwacht, Prenc." Prenc was in zijn sas dat hem iets werd gevraagd, "Ik reis met u naar de safrane vrouwe, die u uw uitrusting en uw opdracht zal geven." "Opdracht? We zien nog wel. En hoe zijn we van plan bij de vrouwe te verschijnen? Gaan we te voet, of gebruiken wij die ouwe knol van je?" Prenc keek Eric verbaasd aan. "U gaat uiteraard op Sir Jefferson en ik volg u." "waar u ook gaat" vulde Prenc zichzelf aan. 8܌ Sir Jefferson bleek een prachtige grijze hengst te zijn. Het paard keek Eric vertrouwd aan en leek blij te zijn om Eric te zien. Prenc had Sir Jefferson gezadeld en was op zijn knol gesprongen. Eric zelf had het nog nooit zo zout gegeten. Samen reden ze bij de burcht weg. Eric's moeder was dol op paarden geweest en had al haar kinderen rijles gegeven. Eric had het altijd wel leuk gegeven omdat hij zich altijd lekker kon ontspannen op de rug van een paard. "Hoe lang is de weg naar de vrouwe?" "Elke weg is zo lang als hij wordt gemeten." "Godv...Kan jij nou echt geen normaal antwoord formuleren badmuts? Als ik vraag hoe lang een weg is wil ik geen stom gezever horen, maar gewoon de lengte van de weg." "De weg is een middag rijden lang." stotterde Prenc geschrokken. Eric kreeg zijn goede humeur snel terug. Hij ontdekte dat zijn koppijn was afgezakt tot een zeurende achtergrond en het vooruitzicht de rest van de middag op dit prachtige dier te mogen zitten stond hem wel aan. Zoals hem altijd gebeurde op de rug van een paard kreeg hij oog voor het landschap. Het land "Halva", zoals Prenc het had genoemd, was licht heuvelachtig. Op de heuvels stond een keur aan struiken en bomen, waarvan er vele bloesems droegen die een zoete geur verspreidden. Na verloop van tijd hielden ze halt om wat van de mondvoorraad van Prenc te gebruiken waarbij Eric wijselijk zijn interesse in de grondstoffen voor zich hield. De vreemd smakende koeken werden met een lichte wijn weggespoeld. Tegen het einde van de middag naderden ze een klein huisje. Ze stegen af en Prenc klopte op de deur. 8܌De deur opende krakend en er stond een soort van pratende kat met menselijke afmetingen in de deur. Het wezen liet beide mannen binnen en sprak met een diepe en joviale stem. "Welkom terug Prenc, en welkom in Halva vreemdeling. Wees niet bevreesd over onze manieren, maar er rest ons weinig tijd en onze haast derhalve groot." Hij wendde zich sierlijk naar Prenc: "De vrouwe wacht in de lichte zaal." "dankjewel Marter, wij zullen ons dadelijk bij de vrouwe vervoegen." "Wees haastig Prenc. De vrouwe verwacht u beiden." Met een knik nam het katwezen afscheid en liepen Prenc en Eric door een lange gang naar iets dat blijkbaar de "lichte zaal" moest wezen. Ineens drong het tot Eric door dat zo'n gang onmogelijk in zo'n piepklein huisje kon passen. Eigenlijk verbaasde hij zich nergens meer over. Prenc klopte op een grote deur en als antwoord opende deze zichzelf. Prenc stapte naar binnen en Eric beende er achteraan. In de zaal, die inderdaad licht van tint was, stond een soort van troon op een verhoging. In deze troon zat een oude vrouw wier leeftijd onraadbaar was. Ze knikte naar Prenc "Zoals altijd de snelste. dankjewel Prenc." Prenc knikte en vertrok weer. Eric begon zich op te winden. "Laat die zool mij nu alleen?" dacht hij bij zichzelf. De vrouwe keek hem gefronst aan. "Zool?" die term is mij vreemd. Eric keek haar geschrokken aan. "Kunt u mijn gedachten lezen? Houd daar als de gesmeerde bliksem mee op. Dit is mijn droom." De vrouwe keek hem medelijdend aan. "U bent chaotisch door de vele vreemde indrukken jonge heer. Toch zult u Halva de lang verwachtte verlossing geven. U denkt dat dit een droom is. Daar faalt u, u bent hier volledig stoffelijk, en sterfelijk. Alles gaat zoals het eens was geschreven." "U kunt mij nooit overtuigen dat dit geen droom is, vrouwe."8܌"Dat heeft u volledig juist onder woorden gebracht jonge heer. Voor uw opdracht is het dan ook niet noodzakelijk dat u in Halva geloofd." "U bent de tweede die spreekt van opdrachten. Verteld u dan van deze opdracht, opdat ik hen kan weigeren." "Hetgeen de onuitroeibare doet is dat wat hij zelve niet bevroedt. is wat de profetie ons leert. Ik mag u helaas geen aanwijzingen geven noch kan ik u helpen met de uitleg der profetie. Zoals diezelfde profetie ons heeft doen waken over uw rechtmatige eigendommen. Wij mogen dan een halfzacht volk zijn, geen van ons zal zijn plichten verzaken." De safrane vrouwe stond licht op uit de troon en maakt wat mystieke bewegingen met haar armen. Eric voelde een tinteling in zijn rug en voor zijn ogen verscheen een malien kolder, een inmens slagzwaard, een rapier, wat messen en wat onduidelijke metalen kledingstukken. De laatste blijkbaar dienend ter bescherming in een gevecht. De safrane vrouwe stond hem afwachtend aan te kijken. "Wat is de bedoeling van deze museumstukken?" De safrane vrouwe keek hem vragend aan. "Dat zijn uw eigendommen, jonge heer." Eric rommelde wat tussen de spullen en voelde dat de handen van Prenc hem hielpen met het aantrekken van de uitrusting. Blijkbaar had hij achterin de zaal staan kijken. De messen werden op strategische plekken verstopt. Het grote slagzwaard kwam schuin over zijn rug te hangen. Hierdoor kon hij nog net zitten, en was het zwaard binnen handbereik. Het rapier hing hij aan zijn gordel. De safrane vrouwe keek hem waarderend aan. "U bezit een waardige uitstraling jonge heer. Ik dring u erop aan uw naam op te zoeken en u dan aan het hof te vervoegen. Koning Rouland zal u tot Ridder slaan.8 Ik wens u een prettige reis en zal u nog een aantal malen spreken. 'Wees sterk en doe uw werk' zoals wij zeggen. Vaarwel jonge heer." Met een handgebaar verdween ze in het niets, Eric met een tinteling achter latent. Eric wendde zich tot Prenc om op zijn gids enige vragen af te vuren. "Wat bedoelde de vrouwe met het zoeken naar mijn naam?" Het irriteerde hem dat hij het respect voor de vrouwe in zijn eigen stem hoorde weerklinken. "Elke jongen krijgt bij zijn geboorte de naam van zijn vader mee. Zijn moeder voorziet hem van een roepnaam. Als hij oud genoeg is trekt hij de wereld in en vindt zich een derde naam. Deze naam is de belangrijkste van al. Hij geeft namelijk het innerlijk van de drager weer." Ondertussen waren ze de gang op gelopen en had Marter, het katwezen, zich bij hen aangesloten. "Hoe weet ik dat ik mijn naam heb gevonden? Ik kan er nu ook wel eentje verzinnen, dan hebben we dat al gehad." "Dat is elke keer anders.", bromde Marter. "Soms vertelt iemand anders je naam, soms ontdek je hem zelf. Het is nog nooit voorgekomen dat iemand een verzonnen naam koos. Je maakt jezelf namelijk bespottelijk met een overdreven naam, terwijl een naam die je tekort doet altijd in je nadeel werkt." Prenc knikte en vulde Marter aan. "Je hoeft je naam ook niet bekend te maken, dat wordt hij toch wel als je hem verdient. Je derde naam wordt altijd vermeld in liederen over je overwinningen. Je hoort zelden in een lied 'De schapekop doodde de wolf met zijn tanden'." Via de hal waren ze naar de voordeur gelopen. Prenc opende de deur en Eric en Marter liepen naar buiten. Sir Jefferson stond te wachten en Eric klom erop terwijl Marter zijn rijdier haalde. Prenc zat op zijn knol en toen kwam Marter aanrijden op een zwarte krachtige hengst. Het viel Eric op dat Marter ook een8 wapenuitrusting droeg. Marter deed zijn slagzwaard af en hing het aan een pen in het zadel. Eric volgde zijn voorbeeld en Marter keek hem vragend aan. "Maakt u rond uw woonstede nooit gebruik van een zwaard?" Eric glimlachte bij het beeld van zichzelf in deze uitrusting terwijl hij op straat liep. "Nee, onze soldaten doden op afstand." Dit scheen Marter te shockeren. Prenc keek Eric vragend aan. "Hebben ze zo weinig moed dat ze niet lichamelijk durven te vechten?" "Het is geen kwestie van moed, maar eerder noodzaak. Je bent al dood voordat je je tegenstander dicht genoeg hebt kunnen naderen om hem te kunnen zien. Dus moet je hem zo snel mogelijk elimineren." Marter keek Eric ontsteld aan en Prenc leek geschrokken. "Is er dan geen erecode?" "Nee, onze soldaten zeggen 'Wat voor nut heeft een code voor een dode?'." Marter schudde zijn hoofd om zoveel eerloosheid. Een tijdje lang reed het gezelschap langs groene weiden. Niemand had meer een woord gesproken en Eric voelde zich onbehagelijk. Wat kon hij eraan doen dat het thuis zo'n achteloze bende was? Daar konden ze hem toch niet op aankijken? Door het lange rijden had hij de omgeving weer in zich op genomen. Hij dacht niet meer na en probeerde zoveel mogelijk details van het prachtige landschap in zich op te nemen. Ineens voelde hij dat er iemand vanuit de bosjes naar hen keek. Automatisch hield hij in. Marter keek hem aan en trok voorzichtig zijn zwaard tevoorschijn. Eric haalde voorzichtig het slagzwaard uit de schede en realiseerde zich dat het erg licht was voor zijn lengte. Met veel bombarie en gekrijs sprongen er vijf man uit de bosjes gezeten op een vijftal paarden. Het katwezen begon te blazen terwijl Prenc ook gewapend bleek8 te zijn. De vijf waren het gezelschap dicht genaderd en waaierden uit. Eric liet Sir Jefferson met zijn achterste naar Prenc en Marter wijzen zodat ze een ster vormden. Twee aanvallers doken op Marter af. Een reed op Prenc af en de andere twee naar Eric. Bevangen door een lichte paniek zwaaide hij zijn zwaard naar een van zijn tegenstanders, die het geoefend ontweek. Per ongeluk sneed hij de hals van de tweede af, die de lengte van het zwaard blijkbaar verkeerd had beoordeeld. Geschrokken trok hij het terug, waardoor hij juist op tijd de slag van de eerste aanvaller kon pareren. In een opwelling maakte hij een draaiende beweging met zijn pols waardoor het zwaard een aantal graden van hoek veranderde en werd door zijn tegenstander gepareerd. Door terug te draaien was hij door s'mans verdediging heen en stak hem door de borst. Rochelend viel de man van zijn paard, dat er haastig vandoor ging. Sir Jefferson wilde steigeren om op de gewonde man te landden maar Eric rukte aan de teugels waardoor de man op een haar na werd gemist. Marter had zijn aanvallers eerst ternauwernood van het lijf kunnen houden, maar wist ze met ingewikkelde maneuvres in het nauw te drijven. Hij doodde de ene en de andere maakte dat hij weg kwam. Hij keek of Prenc hulp nodig had, maar die had zijn aanvaller met gemak verslagen. Marter zag nog net hoe Eric met zijn twee polsbewegingen zijn tweede aanvaller versloeg en daarna met veel moeite Sir Jefferson in bedwang hield. Het gevecht was afgelopen. Het drietal stapte van de paarden af en bekeken de lichamen van hun aanvallers. De man die Sir Jefferson had willen vertrappen was inmiddels ook dood. Alle vier de mannen waren volledig zwart gekleed en droegen een gouden speld op hun borst. De speld stelde twee gebroken vleugels voor. De mannen waren gespierd en hadden een erg witte huidskleur. "Dit waren soldaten van de persoonlijke garde van de onnoembare."8܌Marter stond op en keek Eric aan. "Goed gevochten jonge heer. Mijn excuses voor vanmiddag. Ik was in de veronderstelling dat u geen eer bezat, doch uw reactie tegen uw rijdier toonde mij het tegendeel. Aanvaard alstublieft mijn diensten als vergoeding." Eric stond perplex. "Je hoeft je totaal niet te verontschuldigen Marter. Tot op vanmiddag wist ik ook niet dat er zoiets als eer bestond." "Alstublieft heer. Aanvaard mijn excuses." Eric begreep dat verdere weigering het Katwezen zou kwetsen en knikte Marter toe "Uw excuses zijn aanvaard, beste vriend, maar noem mij toch 'je' in plaats van 'u'. Ik ben eerder minder dan meer vergeleken u." Marter glimlachte "Jonge heer, het is u helaas niet toegestaan om alles te weten, doch een ding dient te worden gezegd. U zult hier grotere daden verrichten dan ik ooit bij machte zal zijn. De aanwezigheid van de garde der onnoembare bewijst mijn woorden. Ik zal u dienen zo goed ik kan." Marter boog en steeg op. Prenc knikte naar Eric en steeg ook op. Eric liep naar Sir Jefferson, stopte zijn zwaard in de schede en steeg op. Gedrieen reden ze weg. Eric ging naast Prenc rijden en Marter kwam naast Eric rijden. "Moesten wij die lijken niet begraven of verbranden?" Marter schudde zijn ronde hoofd. "De lijken zullen worden geborgen. Diegene die vluchtte zal daarvoor hoogstwaarschijnlijk zorgdragen." Hier eindigt het eerste deel. Vervolg in de volgende JSW!